Wie weleens langs het Zeeburgerpad fietst, kent de locatie. Negen jaar lang zat hier Kop van Oost. Dat hoofdstuk is gesloten, en in datzelfde hoge, lichte pand aan het water begon Eshwin Boetting opnieuw. Met TÊTE.
Boetting is geen onbekende in de Amsterdamse horeca. In de Watergraafsmeer runt hij Roef, een buurtrestaurant met een kruidentuin van vijftien bij vijftien meter achter de hand. Dat is iets meer dan een decoratief lapje grond. Bij TÊTE trekt hij dezelfde lijn door: toegankelijk, betaalbaar, geen omwegen. De marmeren tafels en uitgesproken kleuren van de vorige huurder zijn eruit. Wat ervoor in de plaats is gekomen, is rustiger en nodigt meer uit om te blijven zitten.

Het terras is groot. Honderd mensen passen er op, aan het water, met zicht op de molen. Op een zonnige middag is dat precies de plek waar je wil zijn. De binnenzaal is hoog en licht, zoals dat met dit soort panden gaat in Oost. De sfeer is informeel: je schuift aan wanneer het jou uitkomt, van elf uur ’s ochtends tot laat op de avond.
Het terras is groot: honderd mensen passen er op, aan het water, met zicht op de molen.
Het Zeeburgerpad is een van die plekken in Oost waar de stad even ophoudt met zichzelf te zijn. Water aan één kant, de molen in het zicht, en dan dit pand dat er al negen jaar staat maar er nu anders uitziet dan ooit. TÊTE past in het rijtje van plekken dat Oost de afgelopen jaren heeft gekregen: geen grote namen of investeerders op de achtergrond, maar ondernemers die zelf achter de bar staan en weten wat hun buurt nodig heeft. Boetting doet dat in de Watergraafsmeer al met Roef. Aan het Zeeburgerpad begint hij opnieuw, met meer water en een groter terras.