Tegenover de Melkweg, aan de Lijnbaansgracht, zit een bioscoop die nooit heeft meegedaan aan de race naar de grootste popcornbak. Cinecenter opende op 20 september 1976, ontworpen door architect Gerard de Klerk in een strak modernistisch gebouw. Drie zalen bij de start, een vierde in september 1979. En sindsdien hetzelfde principe: kwalitatieve films, internationale arthouse, independent cinema. Geen blockbusters.
De vier zalen zijn vernoemd naar filmiconen, wat meteen zegt wat voor bioscoop dit is. Coraline is de grootste met 113 stoelen, Peppe-Nappa en Pierrot hebben elk 103 stoelen, en Jean Vigo is de kleinste met 52 plaatsen. Samen goed voor 254 stoelen. Wat er in die zalen draait, is een ander verhaal. Op dit moment loopt L’Étranger, de verfilming van de Camus-klassieker door François Ozon, hier in Nederlandse première. En Meer dan Babi Pangang, een documentaire over de eerste generatie Chinese Nederlanders, gaat ook hier in première. Dat is precies het soort programma dat Cinecenter maakt: films die je niet in de Pathé tegenkomt.

In 1998 kreeg het interieur een grondige opknapbeurt. De lounge bar-omgeving die er toen in werd gezet, is er nog steeds. Voor en na de film kun je er terecht, wat de bioscoop iets geeft van een plek waar je langer blijft dan alleen voor de vertoning. Gerard de Klerk ontwierp het gebouw voor de film, maar de sfeer van binnen nodigt ook uit om even te hangen. Dat past bij de buurt: de Lijnbaansgracht en de Leidsekwartierbuurt zijn rijk aan cultuur, met de Melkweg letterlijk om de hoek.
Vier zalen vernoemd naar filmiconen, een lounge bar om de avond te verlengen, en een programma dat consequent kiest voor kwaliteit boven kassa.
Cinecenter is geen bioscoop die je toevallig kiest. Je gaat er naartoe omdat je weet wat je wilt zien, of juist omdat je benieuwd bent naar wat er draait. Vier zalen vernoemd naar filmiconen, een lounge bar om de avond te verlengen, en een programma dat consequent kiest voor kwaliteit boven kassa. Dat is het al bijna vijftig jaar, en het werkt.